Direct naar de inhoud

Conny Tool-Vredegoor: Herinneringen aan de oorlog

Herman Vredegoor kreeg op zijn 19e een oproep van het Arbeidsbureau om in Duitsland te gaan werken. Twee jaar lang hield hij daar een dagboek bij. Dochter Conny schrijft over zijn leven en over het bijzondere dagboek dat zij besloot te publiceren voor een breder publiek.

Dwangarbeider in Duitsland

“He’j ’t al ‘eurd? ’t Is oorlog”. Dat hoorde mijn vader, Herman Vredegoor, op 16-jarige leeftijd (geboren in 1923) vanuit zijn slaapkamerraam in de Walstraat, waar hij samen met zijn moeder (mijn oma), zijn broer en drie zussen woonde en waar ze een kruidenierswinkeltje hadden. Mijn vader was de jongste van het gezin, zijn vader overleed toen hij twee jaar was.

Mijn vader kon goed en met humor vertellen. Hele verhalen bijvoorbeeld over de Diepdruk, waar hij voor en direct na de oorlog als reclametekenaar heeft gewerkt. Maar zo veel hij over de oorlog vertelde, op latere leeftijd steeds vaker, zo weinig sprak mijn moeder erover. Zij woonde destijds in Nijmegen en had de bombardementen meegemaakt, huis en alles verloren. Maar daar zweeg ze over, alleen het luchtalarm de eerste maandag van de maand herinnerde haar daaraan, vaak deed ze dan haar handen voor de oren.

Toen mijn vader 19 jaar was kreeg hij een oproep van het Arbeidsbureau om in Duitsland te gaan werken, dat vond hij wel een beetje spannend. Het alternatief, onderduiken, vond de familie te riskant met het oog op represailles. Dus vertrok hij op 5 juli 1943 met de trein naar Bentheim, gewapend met twee houten koffers, en met bestemming de Harz.

Bijna twee jaar verbleef hij in Duitsland als dwangarbeider en al die tijd heeft hij een dagboek bijgehouden. Er was moeilijk aan papier te komen, dus heeft hij heel klein geschreven en heel beknopt alles weergegeven. Na de oorlog heeft hij al zijn dagboeken overgeschreven en bewerkt; dat hebben we in 2002 in een beperkte oplage als boek uitgegeven (ruim 400 bladzijden).

Hij vond dat niet nodig, wie wil dat nu lezen? Maar de manier waarop hij zijn leven aldaar beschrijft verdiende meer aandacht dan alleen familie en vrienden. Daarom verscheen in 2003 een kleinere handelseditie waarin hij ook zijn jeugd én terugkeer in Deventer beschrijft, met een bloemlezing uit het originele dagboek.

Het leven was zwaar in de Harz, hij moest in de bossen werken als “Holzarbeiter”, bomen omzagen, verslepen, soms met hulp van een paard, opstapelen en in treinwagons laden. Hij wilde wel kruipend terug….

Hij kwam aan in het plaatsje Katlenburg waar vlak bij de spoorwegovergang zijn onderkomen stond, een woonwagen. Aan beide kanten een drietal kribben van ruw hout, boven elkaar. Dat was alles, geen stoel, geen tafel, geen verlichting. Slapen deed hij met al zijn kleren aan, alleen de schoenen gingen uit. Om half vijf opstaan, wassen was er meestal niet bij omdat het bakje water of alweer bevroren was of bevuild. Toen had hij ook een slechte baas, een zekere Schumacher. Hij beschreef hem als “een onguur type, lang en mager, rijbroek en laarzen en een groen hoedje met veer op zijn moffenkop”. Later kwam hij terecht in een barakkenkamp met een nieuwe voorarbeider, een zekere Walfort, die uit het plaatsje Vreden kwam vlak over de grens, waardoor hij een beetje Hollands sprak en het ook kon verstaan. Dat was een goede Duitser, zoals mijn vader zei, niet alle Duitsers waren slecht. Ook na de oorlog heeft hij met Walfort contact gehouden, toch heel bijzonder.

Vaak gaat het in het dagboek over eten, d.w.z. het gebrek aan eten, dat veelal uit een waterige soep (koolsoep) bestond en een stuk brood. Eten en roken, dat waren twee belangrijke zaken. Ook ging hij, als het enigszins kon, op zondag naar de kerk, hij bleef zijn katholieke geloof trouw. De brieven van thuis, die hij kreeg, waren voor hem geestelijk voer. Al die brieven hebben we nog, evenals allerlei documenten uit die tijd en zijn vork - hij moest zelf bestek meenemen en die vork heeft hij mee teruggenomen. Ook heeft hij voedselvergiftiging opgelopen: Russische krijgsgevangenen waren onder militaire bewaking bieten aan het lossen. Enkelen vielen onder een wagon en die hebben ze gepikt, de bieten werden met een roestig zakmes van het meeste vuil ontdaan en daarna met veel smaak verorberd…. diezelfde nacht was zijn hele lichaam opgezet, een arts gaf hem drankjes en poeders en hij hoefde 14 dagen niet te werken.

10 april 1945…Vandaag is een zéér bijzondere dag schrijft hij, want ze “zijn er”. Die “ze” zijn de Amerikanen. Dat was het begin van het proberen terug te komen naar Deventer, dat begon begin mei. Via allerlei plaatsen in Duitsland komen ze in Maastricht aan, waar ze een tijdje moeten blijven en medisch onderzocht worden. Uiteindelijk komen ze 22 mei in Deventer aan. Mijn vader schrijft: “Gek, van mijn thuiskomst kan ik weinig herinneren. Ik weet wel, mijn moeder was diep gelukkig en herhaalde steeds: “God jongen, wat ben ik blij dat je terug bent”. Ik was blij weer thuis te zijn, daar werd weer voor me gezorgd. Alles was er en toch voelde ik me beklemd, vreemd en ondanks het feit eindelijk echt bevrijd te zijn, onvrij. Dat kwam door de orde en regel van thuis, dat waren we ontwend”.

Na de oorlog kon hij direct weer aan het werk bij de Diepdruk en krijgt de opdracht om de omslag voor het boekje “Deventer vrij, 10 april 1945” te maken, hoe symbolisch is dat.

Door de verhalen van mijn vader over de oorlog las en lees ik nog steeds heel veel over de oorlog, heb verschillende concentratiekampen bezocht en kijk naar films en documentaires. Ik heb geleerd dat er ook goede Duitsers waren, ze waren niet allemaal slecht. Wij mochten als kind nooit zeggen (en ik doe het nog steeds niet): “Ik heb honger”, want wij weten niet wat honger is, wij hadden de oorlog niet meegemaakt. Ook eten weggooien was uit den boze (iets wat ik ook van hem overgenomen heb), elke aardappel die over was werd bewaard en daar werd later bijvoorbeeld aardappelpuree van gemaakt.

Mijn vader is nog drie maal teruggegaan naar de Harz, in 1953 en 1959, ook nog met Walfort, zijn voorarbeider. In 1991 zijn mijn man en ik samen met mijn ouders nog in Duitsland geweest en hebben de plaatsen bezocht waar hij gewerkt en gewoond heeft en de emoties uit die tijd zaten nog hoog.

Hij ging destijds als een jongeman naar Duitsland en kwam, belangrijke levenservaringen rijker, als een volwassene terug.

Het eerste exemplaar van het boek Dagboek van een Deventer dwangarbeider; Duitsland 1943-1945 werd op zondag 27 april 2003 overhandigd aan de voormalig voorzitter van de Vereniging van ex-Dwangarbeiders Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De Deventer televisie maakte een documentaire over mijn vader en bij de presentatie waren zo’n honderd mensen aanwezig. Hij genoot er met volle teugen van, het bleek toch wel de moeite waard om zijn dagboeken uit te geven. Net op tijd, want nog geen drie maanden later overleed hij…

 

Conny Tool-Vredegoor (1952)